• Romy den Otter

    Richard van Hoek

Hartelijk vs. harteloos

Woensdagmiddag, 14.17 uur. Ik zit in bus 388, die zojuist is vertrokken vanaf de halte op Utrecht Centraal. Nog geen vijftig meter verder komt de bus alweer tot stilstand voor een rood stoplicht. Ik kijk uit het raam en zie een meisje aan komen rennen. Het wordt me al snel duidelijk dat ze deze bus, die nu stilstaat, net heeft gemist. Ze staat voor de deur en maakt hopeloze gebaren naar de chauffeur. Het meisje kijkt verslagen wanneer de bus weer in beweging komt, terwijl zij nog buiten staat. Ik snap best dat ze te laat is en dat de chauffeur haar niet meer binnen hoeft te laten, maar in deze omstandigheden had hij makkelijk even de deur kunnen openen. Achter de tramhalte, nog geen honderd meter van het vorige verkeerslicht verwijderd, staat weer een stoplicht. Deze staat ook op rood, waardoor de buschauffeur gedwongen is het voertuig stil te laten staan. Het meisje is achter de bus aangerend en gebaart smekend of de chauffeur de deur alstublieft open wil doen. Hoewel de bus nog secondenlang stilstaat, weigert de man achter het stuur haar binnen te laten. Ze ziet er verslagen uit en begint te huilen. De buschauffeur is echter onvermurwbaar. Ik zie het tafereel verbouwereerd aan. Ik kijk verbijsterd van de harteloze man achter het stuur van de bus (die trouwens nog steeds stilstaat), naar het meisje dat huilend wegloopt. Ik wil zeggen dat de chauffeur de deur open moet doen, dat dit belachelijk is en onbeschoft. In plaats daarvan blijf ik onthutst op mijn plaats zitten en voel ik me de hele weg naar huis rot over dat ik wel in de bus zit, terwijl het meisje in Utrecht achter is gebleven en ik daar niks aan heb gedaan. Als ik uitstap bij de halte in Sliedrecht, barst ik in tranen uit. Waarom zijn mensen zo gemeen? Brullend pak ik mijn fiets en zet koers richting huis. Bij het viaduct hoor ik opeens een man roepen. Ik stop en draai me om. 'Hee, wat is er aan de hand?', de meneer legt zijn hand op mijn schouder terwijl ik tot bedaren probeer te komen. 'Ik dacht, dat is het meisje van de bakker die zo moet huilen! Dus ik heb mijn auto gauw geparkeerd, wat is er aan de hand?' Snikkend vertel ik de man, die ik ken omdat hij elke zaterdagochtend bij Bakkerij Hofman komt (daar werk ik), waarom ik zo overstuur ben en ik besef me dat het eigenlijk nergens op slaat dat ik daarom zo hard moet janken. Ik mag dan een weekhartige zwakkeling zijn, het doet me ontzettend goed dat deze man zo lief en vriendelijk is. Ik wil hem bedanken, want hij liet mij op het juiste moment zien dat er ook hartelijke mensen zijn.

Romy den Otter