• Romy den Otter

    Richard van Hoek

Voetjes van de vloer

Volgens mij was ik een jaar of negen. Ik speelde klarinet bij Crescendo, de muziekvereniging in Sliedrecht. Er was die avond voorspeelavond; leden van de vereniging mochten dan een stukje spelen voor ouders en andere bekenden. Ik was altijd kneiter zenuwachtig, maar mijn liedje ging gelukkig best aardig. Opgelucht dat ik niet compleet af was gegaan voor het hele publiek, ging ik weer op mijn stoel zitten om te luisteren naar de andere muzikanten. Tegen het einde van de avond was het de beurt aan een saxofonist. Hij speelde een duet met zijn docent. De muziek werkte aanstekelijk, ik kreeg zin om te bewegen. Toen de muziekleraar vervolgens de woorden 'er mag gedanst worden' uitsprak, twijfelde ik geen moment en stond op van mijn zitplaats. Ik bleek de enige te zijn. Alle aandacht was opeens verschoven van de saxofonist en zijn leraar naar mij. Ik danste nog even door, maar al die priemende ogen in mijn richting maakten me onzeker. Ik probeerde nog hopeloos mijn broertje en ouders mee de vloer op te trekken, maar dit zonder resultaat. Eenmaal thuis barstte ik in tranen uit. Ik begreep er niets van. Waarom wilden de mensen niet dansen? Waarom keken ze naar mij alsof ik van een andere planeet kwam? Is het raar om te dansen in het bijzijn van anderen?

Nu, tien jaar later, ben ik geen lid meer van Crescendo, maar ik ben nog steeds bezig met muziek. United by Music gaf dit jaar in de Lockhorst een benefietconcert waar ik samen met mijn ouders, broertjes en opa en oma bij aanwezig was. De muziek klonk weer aanstekelijk goed, dus ik schroomde niet en betrad de dansvloer, dit keer niet alleen, maar met oma aan mijn zij. Ik had niet verwacht dat er nog anderen uit de zaal bereid waren in beweging te komen. Ik had genoeg ervaringen opgedaan die hadden uitgewezen dat Sliedrechters daarvoor ofwel te nuchter zijn, te beschroomd of eenvoudigweg te saai.

Mijn hypothese bleek juist; oma en ik waren de enigen die onze voeten onder ons lijf vandaan dansten. Totdat er opeens een zeker niet lelijke jongen op me afstapte en mij ten dans vroeg. De aantrekkelijke jongeman was een Hongaar (natuurlijk, dit kón geen inwoner van de Alblasserwaard zijn). Het werd geen saai dansje; ik werd opgetild in de lucht, draaide zoveel rondjes dat ik niet meer scherp zag, om vervolgens nog een paar pirouetten tot uitvoering te brengen. Mijn moeder had wel opgemerkt dat ik deze pseudo-disneyprins wel zag zitten en vroeg aan een andere jongen in de zaal of hij de dans niet even kon onderbreken, om te voorkomen dat ik straks naar Hongarije zou vertrekken. Ze sprak een Sliedrechtse jongen aan, dus ik had geluk. Hij ook, want met zijn stijve houding wist hij deze dans mooi te ontspringen. De moeder van de jongen die zich niet bereid vond zijn voetjes van de vloer te halen zei nog tegen die van mij dat het toch zo'n vaart niet zou lopen. Kreeg zij eens even ongelijk; een week later vertrok ik richting mijn Hongaar. Tja, dacht ik, soms moet je op het slappe koord dansen.

Romy den Otter