• Rechts het meisje waar Robert-Jan mee sprak terwijl ze op haar akkertje bezig was.

  • Links Robert-Jan, op de brokstukken in Bhaktapur, net buiten de hoofdstad Khatmandu.

    ANP/Pooja Pant

'Ik heb zoveel blije gezichten gezien'

Robert-Jan is trots op missie in Nepal

SLIEDRECHT Een grote berg bakstenen en puin. Daarop zit een man met een foto in zijn hand. Van een nog vermist familielid. Een van de vele ingrijpende beelden die Robert-Jan Noteboom niet gauw van zijn netvlies zal kunnen wissen. De 36-jarige Sliedrechter, lid van het reddingsteam USAR.NL van de Nederlandse overheid, keerde woensdagavond terug van de tiendaagse missie in Nepal. In de door zware aardbevingen getroffen stad Kathmandu zocht hij met nog 61 teamgenoten en 8 honden naar overlevenden.

,,Dat was onze eerste taak: overlevenden zoeken. De honden zijn daar specifiek in getraind, om alleen aan te slaan op nog levenden mensen en niet op overledenen." Lichamen van mensen die het niet gered hebben zag Robert-Jan helaas genoeg. ,,De lucht was ondraaglijk." Levenden heeft het Nederlandse team niet kunnen aantreffen onder het puin. ,,Aan de ene kant is dat natuurlijk teleurstellend. Je gaat voor de rescue en het had ons team een mega-boost gegeven. Maar we zagen al snel dat de overlevingskansen heel klein waren. De bouw daar is van dien aard dat bijna alle huizen waren ingestort tot één grote puinberg zonder holle ruimtes. Daaronder redt niemand het."

Maar teleurstelling is absoluut niet het gevoel dat overheerst in het Nederlandse team, benadrukt Robert-Jan. ,,Dat teams van andere landen wel overlevenden hebben kunnen redden, zo'n vijftien in totaal, is deels ook onze verdienste. Je doet het met z'n allen. Bovendien heeft Nederland, op verzoek van de VN, de coördinatie van de missie op zich genomen. Toen we daar aankwamen was het één grote chaos. Iedereen vloog maar ergens heen, op geluiden af. Ons team heeft daar structuur in aangebracht. Heeft rampgebied in sectoren verdeeld en daar de verschillende landenteams over verdeeld. Een heel belangrijke bijdrage waar we trots op mogen zijn."

Robert-Jan is beroepsbrandweerman in Dordrecht. Sinds 2008 zit hij bij USAR.NL, dat staat voor Urban Search and Rescue. De reis naar Nepal was zijn eerste buitenlandse missie. ,,Toen ik op het nieuws over de aardbeving hoorde en de twitterberichten volgde, wist ik het al: dit moet 'm worden." Zondag 26 april vertrok hij met zijn team in een vliegtuig van Defensie. Bij aankomst op het vliegveld van Kathmandu konden ze direct in actie komen. ,,Er stond een groep van vijftig Nederlanders te wachten op een vlucht. Dat waren vooral gezinnen die daar wonen. Je zag de angst nog in hun ogen. Sommigen huilden van blijdschap toen we konden vertellen dat ze met ons militaire vliegtuig naar Nederland mochten. Dat was een mooi begin voor ons. We hadden direct een goed gevoel"

Daarna bouwden de Nederlanders hun kamp op naast het vliegveld en gingen ze vervolgens de stad in voor een eerste verkenning. ,,Op het eerste gezicht viel het schadebeeld mee. Hier en daar zagen we ingestorte huizen. De stad was niet compleet verwoest zoals destijds in Haïti." Later werden de reddingswerkers door de lokale bevolking en door de Nepalese militairen gewezen op de meest getroffen wijken. ,,Daar lag wel tachtig procent in puin. We zagen ook prachtige tempels, compleet verwoest."

Hoe meer het team de stad uit trok richting de bergdorpjes, hoe groter de schade. ,,De mensen op het platteland wonen in lemen huizen. Daar blijft niets van over." De 94 teams uit de hele wereld hebben geprobeerd een zo groot mogelijk gebied te bezoeken, maar stuitten op logistieke problemen. ,,Het is daar zo immens groot. Een volgend dorpje ligt vijf uur rijden verderop. Bovendien hadden we te maken met landslides (aardelawines, red.) en hadden we geen helikopters tot onze beschikking. Die waren volop in gebruik om mensen uit de Himalaya te halen en hulpgoederen te droppen. We moesten ons dus, met de honden, verplaatsen in lokale taxibusjes."

Toch heeft Robert-Jan juist aan deze verkenningstochten door het platteland een heel goed gevoel overgehouden. ,,We vroegen aan de lokale bevolking: missen jullie nog familieleden? Wat hebben jullie nodig? Die mensen waren al blij met een luisterend oor. Ze lieten ons hun huis zien, of wat daar van over was. Wij gaven ze ons militair rantsoen; repen, koeken en flesjes water. Alle mensen waren supervriendelijk en heel dankbaar. Ik heb zoveel blije gezichten gezien."

Hij herinnert zich een meisje dat op een akker onkruid stond te trekken. ,,Dat meisje vertelde me in haar taal honderduit over haar akkertje. Ik verstond er niets van. Tussen het onkruid stonden ook eetbare gewassen. Die stak ze onder haar arm en nam ze mee naar huis. Voor het eten die avond. Ik zag dat en dacht: die overleeft het wel. De mensen daar zijn heel zelfredzaam. Ze kunnen zelf in hun eerste levensbehoefte voorzien, hoe minimaal dat ook is. En ze zijn optimistisch. Zetten hun schouders er gewoon weer onder. Het leven gaat door. Daar heb ik heel veel positieve energie van gekregen."

Dat gevoel overheerste toen hij woensdagavond weer thuis in Sliedrecht kwam. Bij zijn vrouw en kinderen. ,,Nu moet ik het allemaal nog laten bezinken en verwerken. Ik kijk regelmatig foto's terug en erover praten helpt ook. In mijn dagelijks werk krijg ik ook heel wat voor mijn kiezen, maar deze omvang maak je in Nederland niet mee. Het zet je wel met beide benen op de grond. Waar maken wij ons hier eigenlijk druk om...?"