• Erik de Bruin

Op z'n plek aan de Molendijk

SLIEDRECHT 'Waar een klein land groot in is'Waar een klein land groot in is.' Deze zin is te lezen in het interview met Jan Meijers, de vroegere bestuursvoorzitter van het Nationaal Baggermuseum. In plaats van land had er ook dorp kunnen staan. De Hagenaar zegt trots te zijn op het baggervak dat hij uitoefende bij Boskalis. In Sliedrecht ligt zijn hart. Dit soort, tussen aanhalingstekens, liefdesverklaringen aan het dorp dat bekend staat als de bakermat van de nationale en mondiale baggerindustrie, komen ook in andere verhalen tot uiting. Het museum tekende ze op en bracht een boek uit..' Deze zin is te lezen in het interview met Jan Meijers, de vroegere bestuursvoorzitter van het Nationaal Baggermuseum. In plaats van land had er ook dorp kunnen staan. De Hagenaar zegt trots te zijn op het baggervak dat hij uitoefende bij Boskalis. In Sliedrecht ligt zijn hart. Dit soort, tussen aanhalingstekens, liefdesverklaringen aan het dorp dat bekend staat als de bakermat van de nationale en mondiale baggerindustrie, komen ook in andere verhalen tot uiting. Het museum tekende ze op en bracht een boek uit.

Het betreft een jubileumboek. Het Baggermuseum is veertig jaar gehuisvest in het vroegere woonhuis van Adriaan Volker aan de Molendijk 204. Een logisch onderkomen. Volker is immers één van de grondleggers van deze typisch Nederlandse bedrijfstak, die nog altijd over de hele wereld hoogtij viert. Hij was één van de bekendste en succesvolste baggeraannemers. Als zoon van een griendbaas groeide de Sliedrechter uit tot een ondernemer die tot ver over de dorps- en landsgrenzen werken uitvoerde. In deze glorieuze tijd, eind negentiende eeuw, liet hij samen met z'n zoon Leendert drie panden bouwen aan de rivier. Die zijn lange tijd in de familie gebleven. De laatste bewoonster van Molendijk 204, Antonia Pieternella Volker, de jongste dochter van Leendert, overleed in 1973. Daarna werd de klassieke villa, gebouwd in een neoclassicistische stijl, door de 'Erven van Volker' beschikbaar gesteld aan het Baggermuseum, dat drie jaar daarvoor haar heil had gezocht in een gebouw aan het begin van de dijk (tegen de Kerkbuurt aan) dat meer ruimte bood dan het Oude Raadhuis in het hart van de winkelstraat. Baggeren was een onderdeel van het in 1961 opgerichte Sliedrechts Museum. De collectie groeide zo snel dat het clubje van ir. Wim Bos, de initiatiefnemer, begin jaren zeventig besloot het ruime sop te kiezen. Via nummer 16 kwam het museum een eind verderop, met scheepsbouwer IHC als buurman, aan wal te liggen.

 

PROFESSIONALISERINGSSLAG Gewoonlijk gaat het baggeraars goed af om op eigen benen te staan. Zeker als het een historische plek is. Dat was ook het geval, maar begin jaren negentig constateerde het bestuur, nog altijd aangevoerd door Bos, dat het goed zou zijn als het museum een professionaliseringsslag zou maken. Dat betekende wel dat de oud-baggeraars, die met de scepter zwaaiden, uit hun comfortzone moesten worden gehaald. Daar had Ben Hilgers, in 1990 aangenomen als de eerste conservator-beheerder, geen enkele moeite mee. Hij is ook de eerste geïnterviewde in het jubileumboek. Een bewuste keuze. De stempel die hij drukte op het museum is nog steeds te zien. Hilgers beleefde, zo is te lezen, een geweldige tijd waarin hij zich kon ontplooien en de basis legde voor zijn verdere carrière, maar schroomde niet te zeggen waar het op stond en de strijd aan te gaan met de eigenzinnige baggeraars, die zich niet lieten vertellen hoe het anders moest. Dat gebeurde echter wel. Hilgers hield, ondersteund door het bestuur, zijn poot stijf en kreeg het voor elkaar dat de vrijwilligersorganisatie een ander gezicht kreeg. In tweeërlei opzicht. Hij stelde functieprofielen op waardoor niet meer alle verantwoordelijkheid (van de kaartverkoop tot het verzorgen van rondleidingen en het repareren van de elektriciteit als die is uitgevallen) op de schouders van één persoon terechtkwam en voedde de vrijwilligers met kennis. Waardoor ze meer over de ontstaansgeschiedenis konden vertelden en niet alleen hoefden te putten uit hun eigen ervaringen aan boord van een baggerschip.

 

BARSTJES IN MANNENBOLWERK Hilgers maakte onderscheid tussen rondleiders en suppoosten. Laatstgenoemde functie sprak vrouwen aan. Zoals Ankie van Werd, die zich in 1991 aansloot toen het mannenbolwerk de eerste barstjes vertoonde. Een kwart eeuw later spreekt ze over een warm nest waarin ze decennialang vertoefde. Twintig jaar lang was ze hoofdsuppoost, ze zwaaide in 2011 af. Vergeleken met de Giessenburgse is Gerrit Boer, die samen met haar werd geïnterviewd, een groentje. Hij verhuisde 36 jaar geleden van Sliedrecht naar het Brabantse Zevenbergen en keert nu, na zijn pensioen, regelmatig terug om rondleidingen te geven. Een taak die hem wel is toevertrouwd. Hij praat vlot en heeft passie voor hetgeen centraal staat: baggeren. Een eigenschap die alle vrijwilligers - verspreid over veertig jaar zijn dat er ongeveer tweehonderd - gemeen hebben. Conny Dirkzwager, de huidige conservator, zette hen in de spotlights tijdens de boekpresentatie die vrijdag 16 september plaatsvond. Ze sprak over de drie-eenheid in het museum, te weten: het huis (van Volker), de mensen en de objecten. Zonder mensen geen objecten. Alles wat is te bezichtigen (onder andere circa 160 modellen van schepen en waterwerken) is geschonken. Het museum heeft geen aankoopbeleid. Er zijn, met behulp van sponsoren en de vriendenstichting die al heel lang bestaat, wel investeringen gepleegd.

 

In het 'Hilgers-tijdperk' (hij was natuurlijk niet de enige die tot een koerswijziging aanzette) werd in 1994 de aanbouw gerealiseerd. Hij wreef zich destijds in de handen. ,,Een expositieruimte (waar twee of drie keer per jaar een wisseltentoonstelling wordt opgetuigd, red.), filmzaal en, zeker niet onbelangrijk, een toiletgroep ... alles wat we ontbeerden, wat het tot een volwaardig museum zou maken, hadden we nu", aldus de aanjager, die het weliswaar af en toe, op een respectvolle manier, aan de stok had met de oud-baggeraars, maar hen ook een pluim geeft. ,,Dat baggeraars doorpakkers zijn is me toen wel duidelijk geworden. Het is in een jaar tijd uit de grond gestampt. Wow!"

 

'VIZIER OP INNOVATIES' In het huis zelf werd ook - met behoud van de antieke en monumentale elementen - voortvarend gehandeld. Bij de voordeur aanbellen ('een doorn in het oog, bezoekers moeten zo binnen kunnen stappen') was verleden tijd en op de twee verdiepingen werd de vaste collectie uitgebouwd. Inmiddels is een groot deel interactief gemaakt en er is naast en achter het Koetshuis een zogenoemde BaggerPraktijkTuin aangelegd, ook bedoeld om het museum interessanter te maken voor de jeugd. ,,Zij zijn de toekomst. Hen moet je inspireren om later dit veelzijdige beroep, wat het mooiste is ter wereld, uit te willen oefenen", aldus Joep Athmer, die als sponsor werd geïnterviewd (hij is de offshoredirecteur van Van Oord) en als toekomstig bestuursvoorzitter (in de loop van dit jaar neemt hij het stokje over van Arie Struijk) alvast een stip op de horizon zette. ,,Loop je door het Baggermuseum dan zie je meteen dat de historie is afgedekt, maar een museum omvat meer. Je zou het vizier op innovaties moeten richten. Op uitdagingen waar de baggerindustrie nu voor gesteld staat." Aangezien de middelen vrij beperkt zijn, dienen er, om mee te blijven gaan in de vaart der volkeren, wel meer donateurs en sponsoren te worden geworven. ,,Geld is niet alles, maar maakt het wel gemakkelijker", sprak Dirkzwager. Ze riep de aanwezigen op het boek onder de aandacht te brengen van Jan en alleman in en buiten het baggerdorp.